Ze leerden me watertrappelen, maar zwemmen kan ik niet
Steeds na behandelingen, na klinische therapie. Ik heb zo’n beeld in mijn hoofd. Dat de behandelaars en therapeuten tevreden weglopen. Elkaar een high-five geven. Het is gelukt. Ze kan watertrappelen! Ze mag door naar het volgende level. Ze kan het alleen. Ze kan naar huis!
En ik, vol goede moed, op naar huis. Waar ik opgevangen zou moeten worden. Overgenomen door mijn eigen team. Wat al niet altijd even soepel liep. Er was nog geen overdracht geweest. Of er was wel een soort-van-plan. Maar niemand wist echt wat de bedoeling was. Of iemand zich verantwoordelijk voelde voor de uitvoering ervan. Maar zij zagen daar geen probleem in. Want ik kan toch watertrappelen? Dan lukt het me toch?
Ik had (en heb) alleen geen idee wat ik moet als ik moe word van het watertrappelen. Waar er een randje is om me aan vast te houden. Want als ik moe word en ik stop met watertrappelen, dan zink ik. Dan verdrink ik. En dat is iets wat dan weer niet zo gewaardeerd wordt door de mensen om me heen.
Dezelfde mensen die dan gefrustreerd gaan roepen waarom dit nou gebeurd, want je weet toch beter, want dit leerde je toch in therapie? Je leerde daar toch watertrappelen?
Diezelfde mensen zeggen me trouwens ook dat ik ze niet mag mailen of mag appen tussen onze contactmomenten door. Ik moet het maar verdragen dat ik ergens mee zit. Blijf vooral maar drijven. Watertrappelen lukt me immers al.
En ik? Ik zou zo graag leren zwemmen, kunnen zwemmen naar die eilandjes in de verte. Die eilandjes met een strandje. Een palmboom met wat schaduw. Een stoel waarop je even wat kunt uitrusten.
Maar ik kan alleen maar watertrappelen. En ondertussen stroomt het water mijn neus in, want ik zink steeds dieper.
Misschien is dat wel het wrange besef: dat watertrappelen geen opstap is naar zwemmen.
Dat het iets anders vraagt. Iets wat ik nooit geleerd heb, en wat je niet kunt afdwingen door gewoon nóg harder te blijven trappen.
Ik weet nu in ieder geval dit: zolang ik alleen maar blijf watertrappelen, kom ik nergens aan. En misschien is dát het punt waar eindelijk iemand naast me moet gaan staan, in plaats van vanaf de kant te roepen dat het wel lukt.
Reacties
Een reactie posten